banner_kerk5.jpg
joomla responsive menu free


Opstanding

En dat Hij is van Céfas gezien
1 Kor. 15:5a

Ook na Zijn opstanding is de grote Herder der schapen uitgegaan om het verlorene te zoeken en het weggedrevene weder te brengen. "En dat Hij is van Céfas gezien". Wij weten niet waar deze ontmoeting heeft plaatsgevonden. Gelukkig weten de Heere en Petrus deze plaats wel. Gelukkig als we die plaatsen ook in óns jonge leven kennen, waar de ziel alleen is met de Heere in de verborgen omgang met God.
Ongedacht en onverwacht is de Heere aan Petrus verschenen. Hij heeft Hem gezien. Nu niet meer als Man der smarten, niet meer in diepe vernedering als het lijdende en stervende Lam Gods. Maar Petrus heeft Hem gezien als de Vorst des levens en als de Heere der heerlijkheid. Welke woorden zij samen gewisseld hebben en hoe hun beider ogen elkaar daar ontmoet hebben, weten wij niet. Maar dit weten wij wel, dat in plaats dat de Heere Petrus zo welverdiend wegvaagt in Zijn toorn, Hij Zijn diepgevallen kind doet ervaren:
Toen in mijn zielsellende,
Uw aangezicht mij kende.

Geen leed zal dat ogenblik en deze ontmoeting ooit uit Petrus' geheugen wissen. Hij viel wel diep, maar hij viel in de armen van Gods eeuwige liefde. In zijn bitter berouw werd hij door Christus' reddende hand gegrepen, werden zijn tranen gedroogd en werd hij omhelsd met de kussingen van Gods eeuwige liefde. Daar hebben zijn ogen de Koning gezien in Zijn schoonheid. Daar is het in zijn ziel gaan zingen:
Looft Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven.

Gods Woord haalt de genade altijd weer op uit de diepten der verlorenheid en schuld voor God. Jongens en meisjes, ontdekkende genade brengt waar we zijn voor God. Velen van Gods kinderen zijn als de discipelen voor de kruisdood van Christus. Dan ligt er een hartelijke en oprechte keus in de ziel om de Heere alleen te vrezen als het allerhoogst en eeuwig goed. De ziel weet dan ook van troost en bemoedigingen en kent een verborgen leven met God. En als de Heilige Geest enige lichtstralen in de ziel doet vallen, dan is er zelfs enige kennis van Christus en wordt de weg der verlossing ontdekt. Hoe kan het hart dan branden van liefde en de uitgangen van de ziel zijn naar Hem. Hij alleen heeft de woorden des eeuwigen levens. Met Petrus belijden zij van harte: "Gij zijt de Christus: de Zoon des levenden Gods".
Maar toch blijft het oog zo gesloten voor de onbetaalde schuld bij God, tegen Wie wij gezondigd hebben. Een schuld die alleen betaald kan worden door een lijdende en stervende Borg, in Wie God Zijn recht oefende en van Wie Hij betaling vorderde. Dan is Christus wel dierbaar en beminnelijk, maar dan wordt Hij niet gekend als onmisbaar en noodzakelijk, als schuldovernemende Borg.
Ook Petrus heeft moeten leren op de school van de Heilige Geest, dat hij met zijn belijden van Christus, nog met Hem de dood in moest. Ook Petrus dacht aanvankelijk zalig te kunnen worden, zoals we dat allen menen, met behoud van ons leven en buiten de oefening van het recht Gods om. Vandaar dat Petrus er niets van verstond en er ook niets van wilde weten, toen Christus sprak van lijden, sterven en opstaan. We drukken het zo gemakkelijk uit dat de mens vijand is van vrije genade, maar het ontdekkende licht van de Heilige Geest doet ons verstaan, dat ons hart geërgerd wordt, zoals bij Petrus toen hij sprak: "Heere, wees U genadig, dit zal U geenszins geschieden". Hoe noodzakelijk om met alle ervaringen in de dood terecht te komen en uit alle bevindingen de grond te verliezen om Christus te leren kennen als de Opstanding en het Leven. Want op de markt van vrije genade, waar de Heere Zijn kinderen brengt tot nadere kennis van Christus, worden alle menselijke verdiensten buitengesloten. Alleen waar al onze koop-penningen als schade en drek worden weg-geworpen, gaat het kruis zijn geheimen ontsluiten en het ontsloten graf zijn schatten uitdelen. Het wonder van Pasen wordt voor één, die zich als een goddeloze heeft leren kennen: "Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardig-making".
Jonge mensen, vraag de Heere om de werking van Zijn Heilige Geest om dit bevindelijk en persoonlijk te leren kennen. Ook Petrus heeft in deze ontmoeting met de opgestane Christus geen enkele roem in zichzelf overgehouden. Want waar de Heere Zichzelf ontdekt in het verslagen en schuldige hart in Zijn nederbuigende ontferming in Christus, wordt het de taal van de verootmoedigende verwondering:
Zo klim' Uw lof naar boven;
Mijn God, U zal ik eeuwig loven.

Ds. J.M. Kleppe